Almanak

Oprichtingsrede studentenhuis St. Jansburg

Door de eerste voorzitter, de heer van Baarsel op 17 november 1945.

Mevrouw, mijne Heren,

Ik reken het tot een eer u op de openingsdag van het studentenhuis St. Jansburg toe te mogen spreken. Namens de bewoners heet ik U hartelijk welkom. Gij allen hebt op verschillend terrein Uw medewerking verleend om dit studentenhuis op te bouwen. Hiervoor danken wij U zeer. Toen wij hier in september kwamen, waren wij er eerlijk gezegd niet zo zeker van, dat dit gebouw geschikt kon worden gemaakt om als studentenhuis te fungeren. Sinds die tijd echter, is er zeel veel verbeterd. We hebben ons die eerste maanden moeten behelpen en moeten dit t.o.v verschillende dingen nog. Dat neemt niet weg dat we tevreden zijn met het bereikte resultaat. Al spoedig kwam en van onze kant en van de kant van de beheerder de wens naar voren dat er een vertegenwoordiging van de inwoners tot stand zou komen om gemakkelijk contact te houden met de huisvestingscommisie en met de beheerder.

Er moesten bovendien regels worden opgesteld die noodzakelijk waren daar waar zoveel studenten onder 1 dak wonen. Deze regels betreffen in de eerste plaats het tehuis zelve en in de tweede plaats de gemeenschap van de inwoners. Over het eerste hebben we contact gezocht met de beheerder en met de heer van der Laan. Het tweede verdient nadere toelichting omdat hierin schijn van een sociëteit sprake kan zijn. Mevrouw, Mijne Heren ik kan U zeggen dat wij alles hebben gedaan om dit laatste te vermijden. Het is echter des te moeilijker, omdat velen die in 1944 en 1945 of HBS of Gymnasium afliepen, nog niet in de gelegenheid zijn om het sociëtsleven deel te nemen. We hebben getracht de gemeenschap een meer huiselijk karakter te geven. Proffesor Kroon, we rekenen het tot een grote eer dat U het erevoorzitterschap van dit tehuis hebt willen aanvaarden. Dhr van der Laan die ons bij het opstellen van het regelement menig goede raadgeving heeft gedaan kon helaas op deze middag niet aanwezig zijn..

De opening van dit studententehuis is wellicht daarom belangrijk omdat het een periode inluidt waarin de studententehuizen een grote rol gaan spelen in de huisvestingsmogelijkheden van de studenten. Daarom meent het bestuur het initiatief te moeten nemen tot een officiële opening.

Mevrouw, Mijne Heren, het studententehuis biedt vele voordelen. Als de belangrijkste zou ik wat de gemeenschap betreft willen noemen, dat de inwoners uit alle delen van ons land komen. Dit geeft de gelegenheid tot nauw contact en uitwisselen van gedachten. Wat de studie betreft is het voor ons enmeeste eerstejaars gemakkelijk in deze tijd van boekenschaarste elkaars leerboeken te lenen. Behalve ijken en landmeting zijn hier alle studierichtingen vertegenwoordigd.

Ik eindig met nogmaals dank uit te brengen voor het werk dat U allen hebt verricht voor dit studententehuis en spreek tevens de wens uit, dat deze middag de band tussen huisvestingscommisie en ons zal versterken.

 

Rondgang door de Engelenbak eind vijftiger jaren

Aan het eind van de vijftiger jaren woonden er op de Engelenbak achtenveertig studenten. Deze waren te verdelen in drie groepen. Op de eerste verdieping woonden Virgilianen en Corpsleden, streng gescheiden door een ijzeren gordijn dat liep van de douchecellen tot de eetzaal. Op de tweede verdieping woonde een groep die niet onder een noemer te brengen was.

Kwam men van de trap op de eerste verdieping dan lag er na de gang links de slaapzaal van de Virgiliasanse afdeling. Er stonden zo’n dertigt bedden en wat me altijd verwonderde was dat idereen zo zat niet kon zijn of hij vond altijd blindelings in het donker zijn bed. Zonder de anderen te storen! Of het zou iemand moeten zijn die niet aan het feest had meegedaan.

Recht vooruit boven de ingang woonde Henk Mylanus met Andre en Wim Luyten. Henk had al vroeg begrepen dat voor een goede carriere een ir-titel allen niet voldoende was. Men moest ook nog een goede Partij zien te verwerven. En om daar enig inzicht in te krijgen had hij daartoe een Aantrekkelijkheids-diagram opgesteld. Het was een vrij steil afnemende curve waarbij op de x-as de Engelenbakkers waren ingedeeld en op de y-as hun aantrekkelijkheid voor vrouwen. Bij het begin van de kromme stond Pim Reymering met veruit de hoogste score maar dat was vooral omdat hij in het bezit van een zeilboot was, zei Henk.

De kamer daarnaast werd bewoond door Gerard Wiegman en Louis Vos de Wael. Al echte bouwkundige hadden zij hun kamer gemodificeerd door het plafond van de kamer drastisch omlaag te brengen. En dit was hard nodig om Louis in zijn volle lengte in de kamer op te kunnen merken.

De kamer daarnaast werd door Albert en mij bewoond. In tegen-stelling tot Louis kon Albert met zijn postuur het oorspronkelijke plafond best gebruiken. In de linkerhoek van de kamer stonden twee autobanken tegenover elkaar met een lange lage tafel ertussen. Dit was het slagveld waar een zenuwslopend spel, Mes op tafel genaamd, gespeeld werd. Een spel voor twee waarbij degene die aan spel was zeer nauwkeurig werd gadegeslagen door de ander die elk moment dreigde in te grijpen om zijn tegenstander op een fout te wijzen. Dat Wijzen bestond uit het met de vuist op tafel te slaan en Stop te roepen en treiterig zachtjes met de nagel van de wijsvinger op de tafel te tikken waarna een demonstratie volgde hoe op een hoogst ingewikkelde manier een verdere vereenvoudiging mogelijk was die de ander niet gezien had.

De kamer daarnaast werd bewoond door Hans van Lonkhuyzen en Teun Swinkels. Vooral Hans had een zeer grote sociale belang-stelling. Het leek soms of Hans al voordat er iets gebeurde in de studentenwereld van de Oeral tot Den Helder hiervan op de hoogte was. Hij kon ook graag mensen bestuderen. Zo zat hij eens op een morgen in zijn stoel voor het raam te kijken naar enkele gemeentearbeiders die de kade van de gracht aan de O.D. repareerden. Geboeid bleef hij de hele dag kijken. Toen die mensen tegen een uur of vijf naar huis gingen, stond ook Hans duidelijk vermoeid op en zei tegen Teun:Wat kunnen die kerels lijntrekken!.

Naast die kamer begon de demarkatielijn en begon de Corpsvleugel. Daar woonde ook Berdenis van Berlecom, bij de Virgilianen beter bekend als De Graaf van Blaricum. Eke middag tegen een uur of vijf kwam steevast iemand die buiten op de O.D. naar boven riep:Hank kom je barrela waarna de Corpsvleugel naar Phoenix toog.

In de tweede hoek van de gang was de ingang naar het appartement van de Beheerder. Dit was een getrouwde student, iets wat in die tijd vrij ongebruikelijk was. Duidelijk was dat door die gehuwde staat zijn bewegingsvrijheid en de actieradius vrij beperkt was. Van de beheerders die ik gekend heb had alleen Cor Versteeg het zo georganiseerd dat hij zijn Freekje naar haar ouders terugstuurde wanneer hij voor een tentamen zat. Hij ontving haar weer vol blijdschap na het tentamen en daaropvolgende braspartij.

De gang links volgend kwam men bij de eetzaal. Een kale ruimte met stalen stoelen en tafels met formica bladen. De achterwand werd gevormd door vierkante kastjeswaar iedereen zijn eten had opgeslagen en waar je er nooit helemaal zeker van was of het er allemaal nog lag als je wilde gaan eten. Het kwam voor dat je dacht een paar eieren te bakken en dan op het deurtje van de kast een briefje aantrof met drie eieren geleend. Jan..

Tegenover de kastenwand bevond zich de keuken. Een Alkoof met enkele gaspitten en een afwaskraan en waar vooral de Noord-Koreanen van de tweede verdieping de herlijkste geuren veroorzaakten. De droom van elke Koreaan vertelde een van hen mij is een Chinese kok, een Europees huis en een Japanse vrouw.

Waarbij mij vooral de volgorde trof. Rechts van de deur stond de piano van Rudy Moot. Die daar elke dag de achteruitgang van zijn speeltechniek, opgelopen gedurende de voorgaande dag, weer op niveau bracht. Rudy had zich voorgenomen honderd jaar te worden en voedde zich met rauwe aardappelen en met kiemende gerst en maiskorrels. Hierbij dronk hij thee, die hij in een groor conservenblik, (ik meen een augurkenblik met een hengsel van ijzerdraad, bereidde.

Links stond de Leestafel. Een tafel met dag- en weekbladen waarop we collectief geabonneerd waren. Een ravijn voor elke studiedag. Als je bij het langslopen een intrigerende kop zag, even het blad opnam, even erbij ging zitten……dan was er toch mooi weer een middag om. Rudy Moot kwam eens uit de douche in badjas met een handdoek omgeslagen en ging Even aan die tafel zitten. Na een uurtje lezen bemerkte hij dat hij zijn badjas aanhd en ging een douche nemen. Na de douche kwam hij weer langs de leestafel enz. Zijn kamergenoot die zich afvroeg waar Rudy bleef, heeft toen die cyclus doorbroken. In de hoek stond de telefooncel waarin een lijst hing met namen en bijbehorende Morse-tekens. Steeds klonk er een schorre zoemer die punten en strepen scandeerden door het gebouw gevolgd door een indianenschreeuw uit een kamer.

In de laatste kamer voor de trap woonden Jan de Groof en Piet van de Heuvel. Elke middag om twaalf uur liep Jan naar een gereedstaande katheder op de gang vanwaar hij met grote gebaren en met (zeer) luide stem een hoofdstuk voorlas uit Gargantua en Pantagruel. En dan zijn we weer bij de trap waar links de slaapzaal is……

Peter Stahl

 

Een multiculturele samenleving

Om de een of andere reden is het bewonersbestand van de Engelenbak op mij altijd overgekomen als een verzameling factotums. Zowat elke bewoner op zichzelf een instituut. Velen met een zodanig mimicry, dat ze tussen het meubulair niet opvielen, gelijkertijd echter vaak buitengewoon uitzonderlijk. Waar dat aan lag…..? Andere studentenhuizen hadden dat zo niet, dacht ik. Kwam dat door de grootte van het gebouw waardoor men niet op elkaars lip hoefde te leven, maaar tegelijk elkaar op vele plekken tegenkwm. Was het omdat de bevolking gemengd was? Neen, niet jongens en meisjes (er woonde slechtséén vrouw onder ons dak: de vrouw van de beheerder), maar wel Chinezen, Koreanen, hindoestanen, Surinamers, Arubanen, Javanen, oud-Indisch-gasten, halfbloeden, Nederlanders (maar dan ook overal vandaan: Friesland, Limburg, Zeeland, de eilanden, alles ertussenin), christenen (protestants en katholiek), moslims, atheïsten, godlochenaars, ketters – circa 1/3 was in die tijd geen lid van een strudentenvereniging of nog een enkel St Jansburglid en een Bondslid, 1/3 Corpslid en 1/3 Virgiliaan, waartoe ik behoor. Dus nogal gemengd – een ideale verzameling: geen idee van dicriminatie op wat voor grond dan ook.

Hoe weet ik dit allemaal? Nou, ik was ook zo’n stuk meubulair – ik woonde er van 1955 – 1965, tijd genoeg dus genomen om het verschijnsel uit en te na te bestuderen. Men emigreerde nauwelijks uit dit huis. Men bleef want het beviel. Een soort terminale patiënten zogezegd. Van sommige, die uiteindelijktoch afstudeerden vroeg je je af: ‘Als dat maar goed gaat in de kille’. Misschien dat door dit alles het factotumale karakter van de Engelenbak onstond. Het gebouw Ik wil pogen te schetsen in welke vorm wij het gebouw bewoonden, omdat daarmee tenslotte een stukje geschiedenis geschreven kan worden. Toen ik in huis kwam wonen, was er niet meer dan nog een vage naklank van St Jansbrug (de studentenvereniging die in buurt van de St Jansbrug is ontstaan) en als ik mij goed herinner is de naam studentenhuis de Engelenbak ongeveeer in die tijd ontstaan en heeft Wil het zeer geestige briefpapier getekend. Op de begane grond gebruikten wij alleen de gigantische gang vanaf de voordeur aan OD 89 als toegang tot ons huis en als fietsenstalling (onze fietsen hingen zoals Neufert in ‘Bauentwurfslehre’ voorschrijft, langs de linkerkant van die gang). Voorts onder de aartsluie TH-trap: het stookhok waar de gigantische kolengestookte CV ketel stond en vuilnisverzamel-plaats was, het terrein van de oersterke Rudy, later de iets minder sterke Jan die de enorme hoeveelheden asresten uit de ketel, plus alle vuilnis in vuilnisvaten aan de straat zetten. De rest van de begane grond was in gebruik bij de sportstichting, later een sportschool. Het hele noordelijke deel van het gebouw was in gebruik als TH-gebouw: Boutseren van de afdeling Bouwkunde op de begane grond en als mensa op de eerste verdieping.

Terug weer naar het deel van hert gebouw, waarin wij woonden. Er waren een stuk of 8 éénpersoonskamers (op de tweede verdieping: westvleugel), een stuk of 10 grote kamers, overwegend bewoond door twee, een enkele door drie of vier man op de eerste verdieping. Alles bijeen woonden er een stuk of 32 studenten. Daarnaast was er op de noordwesthoek, eerste verdieping, een flatje voor de beheerder die ingevolge de eisen van de stichtinbg delfste studentenhuisvestinbg een studentenechtpaar moest zijn (reden voor sommige studenten om te moeten trouwen, want het baantje van beheerder was vanwege de emolumenten begerenswaardig emolument: gratis wonen, gewoon tussen ons allemaal!.) De grote kamers waren voor ruim de helft Virgielkamers voor de rest Corpskamers.

Er waren voorts enige algemene voorzieningen: op de eerste verdieping twee slaapzalen (één waar de kaholieken sliepen, één die de rest gebruikten – merkwaardig: voor de slaap scheidden zich de geesten. Maar in beide was absolute stilte verreist. Af en toe beging een zatladder wel eens een foutje, wat meestal afgestraft werd), één damesplee, twee herenplees, twee urinoirs, een badkamer met twee douches en vijf wastafels met alleen koud water. Op de tweede verdieping bevonden zich een zeer koude douche een dito plee, een telefooncel en twee gigantische zolderruimtes (waarop nogal wat meubilair stond van lui die al eeuwen geleden vertrokken waren). Op een entresol bevond zich een donkere kamer en voorts een ping-pong tafel. Op de eerste verdieping in de noordwesthoek was de eetzaal, de belangrijkste onmoetingsruimte van alle gezindten, annex keukentje, een telefooncel en een poetskast voor de werkster. In de eetzaal twee ronde eettafels en een langwerpige leestafels, rijkelijk voorzien van tijdschriften (de Telegraaf, de NRC, HP, de Groene Amsterdammer, VN (ik vergeet er wel een stel), maar vooral Donald Duck). We bewoonden dus zo’n 4500 m3, oftewel circa 1.325 m2, oftewel circa 40 m2 per man. Niet gering. Schoonhouden van die 1325 m2. Het schoonhouden van zoveel ruimte verreiste nogal wat personeel. Temeer daar enige niet alleen zomaar vuil werden, maar vaak een grote puinhoop. Zo werd de keuken driemaal per dag een grote zwijnenstal, de eetzaal al niet veel minder. Daarnaast het schoonhouden van kamers, gangen, toiletten, wasruimtes enz. enz. en het opmaken van bedden. Lakens en slopen werden door het huis verstrekt. Op een dag komt een van de werksters de eetzaal binnen rond lunchtijd en roept: ‘Heren! Even Uw aandacht allemaal! Kunt U alstublieft wat minder eitjes eten?’

De ploeg werksters was sterk wisselend: soms waren er vier. Maar het liep helemaal de spuigaten uit, toen we er op een gegeven moment zeven hadden, en die klaagden ook nog bij Joop, de beheerder, dat ze het werk niet klaarkregen. Joop zette in oktober een advertentie in de krant en dag of wat later melde zich een stevige vrouw: ‘`k ben Ali’ – Joop: ‘Bent U Marokkaanse?’ -Ali:’ Nei, joh, gwoon Hollandse.’ Ze werd aangenomen en na een dag of drie meldde ze zich weer kordaat bij Joop: ‘Zij d’r uit of ik d’r uit!’ – Joop: ‘Hoe bedoelt U?’ – Ali: ‘Naw, ik doet ‘t wel allein, want die wijve kenne allein maar lulle. Dus eh….U kijk mar.’ Nou, dacht Joop, da’s wel heel profijtelijk en schopte zeven werksters de deur uit en daarna was het huis schoner dan ooit. Maar toen het voorjaar aanbrak stond Ali weer bij Joop: ‘Naw, ‘k ben pleite, met me kermiskraamn weer op pad! salu!’ Toen zaten we even zonder. Maar toen…..rolde het godswonder onze hengstenmaatschapij binnen, zij, die gepresen moet worden als werkster zeker, maar ook als vriendin, moeder, biechmoeder, mooi, hoedster van de zeden, ad rem, fix-ster, in alle rust, op d’r eentje in dat grote huis, met al die kerels in de weg. Plonie dus. Ongelooflijk. De eetzaal cum annexis. Op de mogelijkste en onmogelijkste uren werd er gegeten, eten klaargemaakt, gekletst, geklooid, gehangen, gelezen, gekriptogrammeerd. Er heeft nog een tijd een piano gestaan en hoorde je er Peter of André of Rudy of Jan op spelen. Soms dacht je alleen te zijn in de eetzaal. Maar je was nooit alleen. Er zaten altijd van die kleine ettertjes. Als je at plus de krant las, gebeurde het dat,als je met je gedachten bij de krant een stukje brood van je bord nam, je oog in oog zat met één of meer muizen, die geheel op hun gemak mee zaten te smikkelen. Jos was getraind op zo’n moment: een flitsende slag met het vlijmscherpe broodmes en eraf lag dat koppie. Soms als het te gek werd, strietste de één of dew ander een kat van de straat. Die vrat zich in één week moddervet aan de muizen. De kat werd dan – immers de diensten waren bewezen – verzopen en bij het vuilnis afgevoerd.

De multiculturele samenleving maakte, dat er vaak bepaald exotisch gegeten werd. Kim paarde Oosterse handigheid (een kookmeester) aan westerse openheid en trakteerde ons op allerlei Koreaans lekkers,waarbij ons vaak de tranen in de ogen sprongen: hot, hotter, hotst. Wij hebben er veel van geleerd: specerijen, kletsen, varkenspootjes lekker vinden, bescheidenheid en zoveel meer.

De melkfles verdween uit de handel. Melk werd voortaan verpakt in een plastic zak die volgens de berichten een val van vier meter kon doorstaan. Aangezien de eetzaal hoog was en een entresol had, was hier een ideaal proefstation. Velen meldden zich om de proef bij te wonen. Maar na de val zat iedereen onder de melkspetters. Zo ook de hele eetzaal, van plinten in de uiterste hoeken tot en met het hoge plafond.

Beheerder Chris stuift de eetzaal binnen: ‘Heeft iemand mijn vrouw gezien?’ – Groepje: ‘Die staat momenteel piemelnaakt bij jullie voor het bad’ – ‘Huh?’ – ‘Vanhieruit kan je via de ruit van de topografische dienst precies bij jullie in de badkamer kijken – trouwens ook in de slaapkamer. Dus als je nog eens wat willen…..’ Het waslokaal wordt opgeknapt. Een ramp: op de eerste verdieping zijn de WC’s verstopt! Aangezien op die buis ook de urinoirs, vijf wasbakken en twee dousches lozen, hebben we een groot probleem. Beheerder Louis (of was het Cor?) geeft opdracht aan een aannemer voor ontstopping plus een kleine verbouwing, want de badkamer moet nodig ook wat opgeknapt. Zo’n week of twee werk. De aannemer komt snel met een stel leuke lui. Die draaien op de begane grond aan het plafond – bij Boetseren – een stel enorme pluggen los en zeggen daar tegen de bediende dat hij de rommel op kan ruimen. Daarna porren ze bovenaf de leiding door en gaan ook verder met de klus in ons badlokaal. Na een week of drie – de bouwvakkers zijn al een week bij nos vertrokken – meldt de bediende van Boetseren zich bij ons benepen bij de beheerder: Kan dat gesodemieter niet afgelopen zijn ik loop al weken stront te sjouwen, iedere dag teilen vol.

Trouwens, de werklui hadden nóg een mooie grap. Ze begonnen elke morgen om 8 uur. En om 8.05 uur begon een enorme boorhamer te ratelen, en dat duurde tot 9.30 uur. In die tijd konden wij niet slapen. Godbetert midden in de nacht. De zesde dag ga ik daar eens kijken, de kerels zijn er niet, op de vloer van het badlokaal ligt loos die boorhamer te ratelen, een oorverdovende herrie. Die lui zitten in de eetzaal lekker koffie te drinken. ‘Waarom doen je dat in hemelsnaam?!’ – ‘Wij dachten jullie daarmee een plezier te doen – dan worden jullie tenminste wakker en wij willen er straks niet de schuld van krijgen, dat jullie te laat op school komen.’ De katholieke slaapzaal. Sommige schuiven de ramen dicht, dus dan gaat het stinken plus geeft dat herrie. Dat gelazer moet afgelopen zijn. Jos zet de bovenschuiframen open, jaagt links en rechts een zesduimer het kozijn in en snijdt het trektouw eraf. Zo! da’s opgelost. In de winter is het in de slaapzaal net zo koud als buiten, soms zelfs kouder (namelijk als het buiten al wat warmer wordt, ijlt dat in de slaapzaal nog wat na. De ramen zijn op het noorden, dus dat helpt). Bewijs? Het volgende sterke verhaal: Ik lig – lichtelijk zatjes – formidabel te slapen en merk niet, dat ik aan bed bezoek krijg van twee vrienden (niet bij ons in huis wonend), die vijf sneeuwballen bij mij in bed stoppen (haha: as-die straks wakker wordt!!), vier rond mijn hoofd op het hoofdkussen en één zelfs onder de dekens. Ik word de volgende morgen wakker, niks haha: d’r lagen gewoon vijf sneeuwballen, ongesmolten – zelfs die onder de dekens. Ik bedoel maar: frisse slaapzaal. Stichting Delftse Studentenhuisvesting. Ons gebouw is ooit gebouwd in de laatste kwart van de negentiende eeuw voor de voorloper van de TH, de voorloper van de TU, de Polytechnische School, waaraan nog een schitterende hardhouten ladder,die in ons huis aanwezig was, herinnerde. Zo’n vijftig jaar geleden hebben er een aantal verbouwingen plaats gevonden (o.a. de collegezaal op de eerste verdieping aan de OD-zijde werd door een aantal scheidingswanden opgedeeld in de kamers Q t/m U), om het gebouw geschikt te maken voor bewoning door studenten. De SDSH besteede minimale bedragen om dit te bereiken. Zuinig aan was het motto. Dus de hele boel zag er op zijn zachtst gezegd, ietwat sjabbie uit. De kamers waren in het algemeen groot, maar armoedig en de huurprijzen zeer hebbelijk. Hans en Jan waren de eersten die hun kamer opknapten en er naar eigen ideeën, middelen, arbeid en tijd iets moois van maakten. Dit werkte aanstekelijk. Overal in huis namen studenten de kwast ter hand, na emmers flubaai te hebben gekocht in de verfwinkel van meester Verbeek op de Beestenmarkt.Van de beheerder kregen we wat geld, ook om gordijnen te kopen. Het koste de Stichting allemaal niks. Zo kwam het dat wij rond 1958 het leukste huis van de SDSH bewoonden en toch de laagste huur betaalden (f 30,- à f 35,- per man per maand). Dat vond de Stichting maar niks en wilde huurprijs fors verhogen tot f 45,- à f 50,-. Daartegen kwamen niet alleen wij, maar ook de beheerder (was het Joop?) in opstand: ‘Wij hebben er veel geld en tijd van onszelf ingestoken en nou gaat de Stichting daar goede sier mee maken!’
– SDSH reageerde daarop: ‘Ja, maar we gaan nog veel verbeteringen aanbrengen.’
– Wij: ‘Dat willen we niet.’
– SDSH: ‘Jullie moeten!’
– Wij: ‘We hebben niks nodig.’
SDSH: ‘Jullie móeten iets nodig hebben. Wij peilen bij iedereen wat hij nodig heeft.’
In de daaropvolgende dagen bezocht de baas van de SDSH (had die plurk niks beters te doen?) elke kamer en interviewde de bewoners over wat ze nodig hadden in en aan hun kamer. Niks dus. SDSH roept daarna alle bewoners bijeen: ‘Zeer suksesvolle rondgang heeft veel verduidelijkt. Er is dringende behoefte aan boekenplanken op de kamers’
– Wij: ‘We willen geen boekenplanken.’
– SDSH: ‘Jullie motten boekenplanken! Iedereen moet opgeven hoeveel boekenplanken hij wil.’
– Wij: ‘Niemand wil een halve meter!’
– SDSH: ‘Zei d’r iemand: een halve meter? Nou, dan krijgt iedereen een halve meter!
Trouwens: we hebben nóg een enorme verbetering: overal in de gangen komen tochtpuien!’
– Wij: ‘We willen geen tochtpuien!’
– Dus…. Na een tijdje kwamen er tochtpuien en stond een of andere vent met een stel lullige boekenplankjes klaar om aan te brengen – hetgeen iedereen afwees. Die zullen dus wel opgestookt zijn. Maar de huurprijs ging wel omhoog. Het begin van de waanzin bij Stichting Delftse Studenhuisvesting. Steeds, als die president-ditrecteur van de SDSH weer kwam vragen, wat we nu weer nodig hadden – nooit iets dus – wisten we: er komt weer een huurverhoging. De plurk kwam steeds vaker. De entree van ons huis. De voordeur van OD 89 was altijd open. Iedereen kon dag en nacht naar binnen wandelen en de monumentale trap aan het eind van de lange, lange gang bestijgen. Bovenaan de trap op de eerste verdieping bevond zich een schot, waarin een deur met voordeurslot en een kattenluikje rechtsonder (waarboven het visitekaartje van Konijn was gepunaisd) Die deur was geacht gesloten te zijn en door bewoners met een Lipssleutel geopend te worden:
-a. De meesten lieten die deur gewoon openstaan
-b. Als je dat dan gedaan had en je kwam terug, was in 1 van de tien keren wél afgesloten.

– bellen hielp niks:
-b.1. niemand hoorde die bel en
-b.2. niemand voelde zich geroepen, zelfs niet als ie er voorbij kwam, die deur te openen
-c. de enigzins waaghalzerige acrobaat kon langs dat schot klauteren, maar riskeerde wel een val in het zeer gigantische, gapende trapgat.
Dus die deur daar boven…..dat werkte niet. Dus sloopten we het schot en daar knapte het majesteitelijke trappenhuis enorm van op. De weg van Oude Delft naar onze kamers (die allemaal een slot hadden, dat wel door de meesten werd gesloten als ze niet op hun kamer waren) en naar eetzaal, slaapzalen, toiletten, enz. enz. lag helemaal open, dag en nacht. Er is nooit wat gestolen. Ik moet wel zeggen: zeker een kwart van de voordeuren in de Delftse binnenstad was open, of er hing een touwtje uit de brievenbus en van zeker nog een kwart van de voordeuren was het slot te openen met een standaard loper, die je in elke ijzerwinkel voor een habbekrats kon kopen.

Jan de Groof

 

1959-1961

Flarden herinneringen komen boven uit het grijze, maar bepaald niet kleurloze verleden. Meteen maar het begin van de dag: wakker worden op een winterochtend op de Virgiel-slaapzaal. Ijskoud met een rare zurige lucht overal om je heen. Waar werd je wakker van: het schrapen van de schop waarmee op de binnenplaats de kolen werden geschept voor de kachel die de sport-school onder ons moest warm houden. Beelden uit een voltooid verleden tijd.

De verzuilde (studenten)maatcshappij beleefde haar laatste jaren voor de totale ineenstorting een paar jaar daarna. Veel plezier hebben we in die zuilen wel gehad! De Engelenbak was verdeeld in drie gedeelten: Corps (rechts voor), Virgiel (links voor) en anderen onder het dak. Een Virgiel-slaapzaal en een Corps-slaapzaal wat de anderen deden bleef onbekend.

Midden in de Delftse samenleving: met een mooi uitzicht op de Boterbrug vanuit kamer Q. Het telefoon oproepsignaal – – . – zal ik mijn leven niet vergeten. Maar ook met mooi uitzicht van de Boterbrug op de Engelenbak. Ik herinner me nog een drom volk ‘s ochtends vroeg die geamuseerd keek naar onze buurkamer. Daar zat de zeer-oudere-jaars X in Adamskostuum voor het raam, precies zoals hij daar was gaan zitten na terugkomst van de Societeit midden in de nacht om even uit te rusten. Midden in de Delftse samenleving: binnen handbereik van de politie, waardoor kleine schermutselingen met aankomende agenten (die in Delft kwamen om te leren met de gummiknuppel te slaan, zo zeiden kwade tongen!) op de gangen voor onze kamers werden voortgezet.

Maar ook in de studentensamenleving: met die oudere Koreaanse studenten ergens helemaal bovenin, die het hele jaar volledig geluidloos en onzichtbaar waren, behalve die ene avond van het jaar, waarop een Koreaans feest gevierd werd. Sinaasappelsap met 100% alcohol van het lab, in zeer grote hoeveelheden, tot ze weer net zo onverstaanbaar waren als anders, maar absoluut niet geluidloos. 5 of 6 jaren zaten ze er, zonder ooit naar Korea terug te gaan, en ze deden allemaal scheepsbouwkunde. Een jaar of 10/15 later overvleugelde de Koreaanse scheepsbouw de Nederlandse! Zouden dat diezelfde kerels geweest zijn?

Verbroedering: huis-barbeque. Goed idee, met veel vlees en nog meer drank, tot iemand de aanmaakterpentine vond en die volop op het vuur gooide. Verbrande handen van de koks – maar ik herinnerde me niets meer van de polikliniek ‘s nachts of van de pijn, tot de ochtend erna.

Herinneringen te over dus – eigenlijk alleen maar goede herinneringen! Zou het leven er nu nog zo wild en plezierig zijn? Toch maar eens naar de reunie gaan kijken.

R.E. Selman

 

Snurken

Het zal in het voorjaar van 1966 geweest zijn. Er was toen één grote slaapzaal (George Lagers, oud-bewoner uit die tijd, beweerde onlangs toen ik een roeibaantje met hem trok, dat er twee slaapzalen waren, één voor corpsleden en één voor Virgilianen, compleet met kruisbeeld aan de muur, doch daar herinner ik mij niets van. In elk geval sliep ik ‘gemengd’.)

Op een avond was er een hoop herrie, het had allemaal met civiel te maken, en tegen twee uur ‘s nachts betrad een ondefinieerbare, luidruchtige troep mannen de slaapzaal om alle lege bedden te bezetten. De taal die zij spraken was mij onbekend, slavisch of zo, doch hun gastheer converseerde met hen in het Engels. Binnen enkele minuten lagen zij allen PTB (Plat Te Bed).

Echter, daar begon al spoedig het gesodemieter. Een van de slavische figuren bleek een luidruchtige snurker te zijn. Vocaal geweld in de orde van ‘ssst’ en ‘silence please’ hielp geen zak, en ik herinner mij dat André Kuipers naar de ronkende man toeliep, hem klaarwakker schudde en toevoegde: ‘Clean your nose first before sleeping!’ Het antwoord was weinig bevredigend. Een kegel van drank mompelde: ‘But I’m a professor’. Hoewel professoren in die tijd, uit welk land dan ook afkomstig, een onaantastbaar gezag genoten, rechtvaardigen de heersende omstandigheden een rigoreuze maatregel.

Elke keer, wanneer het gesnurk begon aan te zwellen, ging er een schoen naar de hooggeleerde allochtoon. En, er stonden heel wat van die dingen onder de bedden. Al spoedig wierpen de slaven vrolijk mee en vervaagde het onderscheid tussen voetomhulsel en andere objecten.

De ochtend bood een schitterende aanblik. De pover geïntegreerde proffesor lag geheel ingepakt in Engelenbakschoeisel en onbestemde voorwerpen, en rondom hem, in vredige slaap, waren voortdurend opstaande bewoners bezig met opsporing van hun linker- en rechterschoen van keuze voor de nieuwe dag.

Het mooiste vond ik dat daags na dit voorval dat bed nog omringd, je zou bijna zeggen vervuild, bleef door andere schoenen, en zelfs pantoffels, afgezien van andere rotzooi, die nooit meer zijn geclaimd. Ze zullen uiteindelijk wel aan Ton Bakker, de toenmalige beheerder, zijn toegevallen na door Plonie te zijn afgekeurd.

Kees van Hussen

 

1970-1975

Augustus 1971.
Het was een grote eer dat wij uit vele kandidaten gekozen waren om de nieuwe Virgiliaanse bewoners van de Engelenbak te worden. Dat werd mijn kamergenoot en mij luidruchtig ingepeperd door de reeds aanwezige Virgilianen. Het was ook ongehoord dat wij direct op de relatief grote kamer A terechtkwamen, op de bovenste verdieping vlak naast de buitendeur. Kamer A was immers van origine een Corpskamer. Daar zat een heel verhaal achter, eigenlijk wel drie verhalen.

Een jaar geleden was er uitvoerig gedebatteerd of er ook meisjes in huis mochten wonen. Aanleiding was de wens van een van de Corpsleden om met zijn vriendin op een toen vrijgekomen tweepersoonskamer te gaan samenwonen. De discussie scheen nogal heftig verlopen te zijn. De principiele tegenstanders van meisjes in huis hadden een monsterverbond gesloten met de toen nog aanwezige bewoners die vonden dat samenwonen voor het huwelijk niet toegestaan was. Deze grote colitie had het net niet gered en het jonge paar betrok kamer A. En nu was inmiddels kamer V vrijgekomen, groter dan kamer A maar van origine een Virgielkamer. Wederom een discussie met als uitkomst dat het strakke onderscheid tussen Virgiel- en Corpskamers niet meer gehanteerd zou worden.Bij vrijkomende kamers zouden huisgenoten voortaan eerst zelf mogen kiezen. De samenwoners vertrokken naar kamer V. Virgilianen op de benedenverdieping hadden geen zin om naar boven te gaan en zo kregen wij kamer A.

Een prachtige kamer, met een eigen telefoon. Daarmee kon je ook naar buiten belen. Met behulp van een dumpcentrale had een handige huisgenoot de twee PTT-lijnen, overigens illegaal, aangesloten op deze huiscentrale. Na een paar dagen probeerden we het eens voorzichtig. Het werkte niet, we kregen geen buitenlijn. Dat moest met PK geregeld worden, de huisgenoot die over de centrale ging en zo genoemd werd naar zijn initialen. We hadden hem nog niet gezien en gingen op zoek. Hij ontving ons op zijn kamer en gaf ons een college over fatsoensnormen. Wij hadden ons direct bij binnenkomst moeten voorstellen. We waren dus te laat en blijkbaar gold dit bezoek alleen voor de aansluiting op de telefooncentrale. Dat was ongepast. Hij zou een eens paar weken bezien of wij ons wat minder kwalijk zouden gedragen, en daarna mogelijke aansluiting in heroverweging nemen. Wij konden gaan. Heel normaal zeiden andere huisgenoten, wie in huis iets deed wat PK niet beviel, zag zich voor straf een aantal weken afgesloten van de centrale. Gezellige boel dachten wij. Drie weken later werden wij ongevraagd alsnog aangesloten. Blijkbaar geslaagd.

De discussie over die meisjes maar de tegenstanders lieten toch geen gelegenheid ongebruikt om toch weer op de nadelen te wijzen. Je kon niet meer vrij zijn, niet zomaar naakt op de gang lopen, niet alles zeggen wat in je opkwam. Ze werden hierin van harte gesteund dor Plony, de huishoudster. Meisjes in huis was maar niks, die gingen zelf de was doen en voor je het wist hing je ordelijke badkamer vol met lingerie. Zij had het meer op jongens. Daar stonk de vuile was weliswaar de klerenkast uit, maardie werd wel ordelijk eens per maand mee naar moeder genomen. Dat hield haar gangen en badkamers overzichtelijk.

En zo waren er meer irritaties. Geheel in de tijdgeest, begin jaren 70, werd besloten die irritaties bespreekbaar te maken middels een irritatielijstje waarop eenieder zijn ergernis en nisjes kwijt kon. In een confronterend gesprek zouden wij die zaken dan samen te lijf gaan om zo tot werkbare verhoudingen te komen. Tenlotte waren Koot en Bie ook al in relatietherapie gegaan. Het lijstje werd opgehangen en de gebruikelijke opmerkingen over de afwas, het vervreemden van etenswaren op zondagochtend, de vieze W.C.’s en herrie veschenen als aandachtspunt. De vrouwenbestrijders gebruikten het lijstje ook om elke dag weer op te schrijven dat alle vrouwen het huis uit moesten, af en toe afgewisseld door de zinsnede Alle wijven eruit. Het was laat geworden die avond. De vrouw-vriendelijke (die term bestond toen overigens nog niet ) vleugel streepte dat dagelijks weer door, en de eerste bespreking over het lijstje was tevens de laatste. Er vielen harde woorden en een aantal huisgenoten zagen zich enkele weken afgesloten van de telefoon. Het bestaan van het lijstje en het gebruik ervan riep nog meer irritaties op dan datgene wat er op het lijstje stond.

De discussie bleef doorgaan zolang ik in de Engelenbak gewoond heb. Af en toe waren er door verblijf in het buitenland kamers vrij, en voor een daarvan meldde zichweer een meisje. Ze was bloedmooi, en dat veranderde de stemverhouding onmiddellijk. Misschien is ze daarom uiteindelijk niet gekomen. Er meldde zich een homoseksueel, die daar openlijk voor uitkwam, nog niet algemeen gebruikelijk in die tijd. Weer dicussies over naakt rondlopen, nu met een iets andere inhoud. Hij kwam uiteindelijk wel.

Het huis werd bedreigd in die tijd. Het onder ons gevestigde Instituut voor Internationale Studies wilde uitbreiden, en dacht aan de Engelenbak. Gezamelijk ten strijde, en dat schiep een hele goede band die mij bijgebleven is. Nadrukkelijk in de achtertuin aanwezig zijn, gebruik maken van de ruimte naast de achteruitgang die eigenlijk niet van ons was. Daar kon je ook goed feesten geven. Een zomerfeest met een heuse vijver, opgetrokken uit stoepranden en dekzeilen. De bouwkundigen in huis hadden uitgerekend dat de vloer het wel kon hebben. Dat bleek ook het geval. Een grote waterpomp zorgde voor een fontein. Het experiment met goudvissen liep daardoor op niets uit de zuigkracht van de pomp was te groot en binnen enkele minuten waren alle goudvissen tot ragout verwerkt. Aan het eind van het feest gooide en huisgenot twee flessen afwasmiddel in de vijver, en de pomp zorgde voor een schuimeffect dat de laatste feestgangers naar bed dreef. Letterlijk.

Plannen werden gemaakt om van allerlei zaken dingen op te zetten. Er is nooit iets van terecht gekomen, en dat is misschien maar goed ook want plannen bedenken met een paar kratten erbij is leuker dan ze daadwerkelijk uitvoeren. Wel vreselijk gelachen.

Augustus 1975.
Het is alweer voorbij. Terwijl ik mijn spullen inpak verneem ik dat er een huisvergadering is over de opvolging. Er moet een ingewikkelde kamerherindeling gemaakt worden en de verhouding tussen Corpsleden en Virgilianen moet in stand blijven. Er heeft zich geloof ik ook een meisje gemeld…..

Paul Jekkers

 

De Engelenbak, een lang verhaal

Het kwam eigenlijk wel goed uit die keer, dat Tedje toevallig midden in de nacht wakker werd en een vreemd geluid hoorde. Het klonk een beetje alsof Fozzie weer alle vuilniszakken aan het openkrabben was om te kijken of hij zijn dieet nog kon aanvullen met wat vis en andere lekkernijen. Het geluid bleef maar aanhouden, leek zelfs sterker te worden, en hoewel Ted op kamer P gewend was aan overlast van T.V., Video en huisgenoten die niet geheel nuchter van de societeit terugkwamen, was hij toch benieuwd en stond nog even op. Goed idee trouwens, want hij bleek vergeten te zijn zijn kleren uit te doen.
In de gang was het geluid veel sterker, en nu leek het ook alsof ze in het trapportaal een lichtshow aan het opvoeren waren. Zou het daar nog gezellig zijn? De klink van de voordeur voelde wel erg warm aan, en bij het openen bleek al snel dat het vrolijk geknetter niet van de open haard op kamer Q kwam.
Nu vooral rustig blijven, dacht hij, zelf ingrijpen kan niet want de brandblusser hangt midden in het vuur, en dit ziet er toch wel erg volwassen uit. Dan maar het inmiddels welbekende brandsein inschakelen (een almanak op de seinknop midden in de nacht doet wonderen) en onze trouwe vrienden bij de brandweer bellen. Toch maar even controleren of iedereen al wakker is en dan buiten wachten op de ladderwagen.

Iederéén past die helm dacht Jan, enige tijd nadat de brandweer iedereen gesommeerd had naar buiten te gaan en de loop der dingen rustig af te wachten. Hij vertrouwde het niet helemaal en, terwijl het zicht zienderogen verminderde door de rook, en de warmte overal voelbaar was, wist hij nog een brandhaspel te bemachtigen en daarmee de scheidingsmuur tussen voor- en achterhuis nat te houden. De huisgenoten buiten hadden, geheel in de bijbehorende traditie van het huis, inmiddels een kratje Brand’s bier op de kop weten te tikken, en een enkeling vroeg zich af waarom Dolf nog niet beneden was.
Hij bleek zich, niet geimponeerd door de simpele mededeling dat er weer brand was, nog eens omgedraaid te hebben om lekker verder te dromen. Na enige tijd was het vuur in het trappehuis gedoofd, en terwijl enkelen nog een flesje openden, maakten anderen zich alweer op om snel weer van een welverdiende nachtrust te gaan genieten.

De eerste slangen werden alweer ingerold, toen bleek dat de kap stiekem toch had vlamgevat. Zelfontbranding door oververhitting luidde achteraf de conclusie, en dat was wel even andere koek, want het dak had, boven de plafonds van de eenpersoonskamers op de bovengang (deze en gene zijde van de koelkast) geen brandschotten en werkte in feite als een schoorsteen van meer dan 40 meter lengte. Wel wat anders dan de zelfgebouwde haard van Zee! Alle eerdere brandjes verbleekten plots tot kinderspel, en met ontzetting keken de huisgenoten vanuit de tuin toe, hoe de ene na de andere kamer in het achterhuis aan de de vlammen ten prooi viel.
Alle weddenschappen die op het behoud van de eigen spullen gesloten waren, leken inmiddels verloren en toen tenslotte het lampje in de badkamer doofde, was allang duidelijk dat dit niet meer onder het hoofdstuk studentengrappen kon vallen. De aanwezigheid van het voltallig Delftsch Brandweer Corps (met omringende gemeenten) ten spijt, was het achterhuis volledig uitgebrand.

Ik had genoten van een heerlijke nacht in Amsterdam, en de telefoon ging naar mijn mening wat te vroeg ‘Hallo Joop, misschien is het beter dat je naar Delft komt, want we hebben brand gehad’. Een oude grap (we hadden de laatste tijd al vaker brand gehad), dus ik was snel wakker genoeg om daar niet in te trappen: Zeg maar tegen Eddy dat ik vanmiddag kom, want Eddy Coers van het IHE veroorzaakte wel vaker paniek om niets. Maar het is geen grap, ik bel nu bij de buren want we mogen van de brandweer het pand, voorzover dat er nog staat, niet in, en er moet hier wel het een en ander geregeld worden.

Zó snel kun je dus van Amsterdam in Delft komen. Veel mensen buiten, brandweer en politie liepen nog zenuwachtig rond, en ik moest enorm aandringen om het pand in te kunnen voor een eerste inspectie. Wat een ellende! Ik had gedacht net als al die ander beheerders nog een rustige oude studentendag op de Engelenbak door te brengen, maar het zag er alleszins naar uit dat dat niet zou gaan lukken.

Het hele achterhuis was uitgebrand, en daarmee waren er 14 kamers (waarvan 3 dubbele), het beheerdersflatje, de eetzaal met keuken, cosy-corner en donkere kamer, de bovenslaapzaal en de badkamer boven onbruikbaar. Een gedeelte van het voorhuis had waterschade opgelopen. Het was een wonder dat zich geen persoonlijke ongevallen hadden voorgedaan, ondanks het feit dat de brand midden in de nacht was uitgebroken.
Doordat het vakantietijd was, waren een aantal huisgenoten niet bereikbaar. Dat kon dus nog een vervelende thuiskomst worden. De nasleep van de brand Het eerste probleem was direct een slaap- of logeerplaats voor de huisgenoten te regelen via de sdsh was het in ieder geval mogelijk snel weer een aantal droge matrassen te krijgen. ‘s Avonds, meteen nadat de brandweer het pand had vrijgegeven, werd een eerste huisvergadering belegd, die ik argeloos opende met het overbodige bericht We hebben dus brand gehad. Daarmee was de spanning even gebroken, want iedereen barstte in lachen uit, en we besloten in het vervolg elke huisvergadering zo te openen.

Maar er kwamen wel veel grotere problemen op ons af. Om te beginnen was het overal natuurlijke een enorme puinhoop, maar we konden pas beginnen met opruimen nadat de verzekeringen van het pand, en alle verzekeringen van de individuele bewoners, de schade hadden opgenomen. Maar niet iedereen wist of, en zo ja, hoe hij verzekerd was. Voor de personen die afwezig waren, was dat al helemaal onduidelijk.
In de dagen erna was het een komen en gaan van autoriteiten, brandweer, verzekeringstaxateurs, ouders en vrienden.
Nadat de schade enigzins ge‹nventariseerd was, probeerden we, met de aanwezige huisgenoten, het achterhuis zo snel mogelijke leeg te halen (Daarbij hadden we geluk dat het niet regende). Geen fris karwei, want wie wilde nu graag Smit’s vuile onderbroeken met brand- en waterschade sorteren? En wie wist wat je op het grotendeels uitgebrande platje van Kasteel nog allemaal aan zou treffen?
De eetzaal diende in eerste instantie als droogkamer, en nadat we met een Haagse wasserij onderhandeld hadden, werden alle kleren die nog enigzins de moeite waard leken, daar met een busje ter reiniging afgeleverd. Kamer V werd het grote magazijn, waar alle resten van bezittingen, zo veel mogelijk gesorteerd naar eigenaar, opgeslagen werden.

Er kwamen in die eerste dagen drie grote tegenvallers:
1. De brandweer achtte ook het voorhuis niet meer geschikt voor bewoning, omdat er met het vervallen van het achterhuis geen nooduitgangen meer bereikbaar waren. Na enig onderhandelen en met een paar extra voorzieningen, wisten we dat te voorkomen, maar we vermoedden dat daarbij nog een verborgen agenda speelde.
2. Het pand bleek eigendom van de gemeente, die het pand voor 1900 aan de Polytechnische School ter beschikking had gesteld voor onderwijsdoeleinden. De gemeente stelde zich op het standpunt,dat zij niet op de hoogte was van het feit dat het pand door studenten bewoond werd, en wenste voor de bewoners dan ook geen verantwoordelijkheid te nemen. Men wilde bovendien niet toezeggen dat het pand weer opgeknapt zou worden om de bewoners van de Engelenbak opnieuw te huisvesten. Een dergelijke locatie in het centrum van Delft kon voor de gemeente natuurlijk, bij ander gebruik, een veel grotere economische waarde krijgen. Ik kom hier later nog op terug.
3. Het IHE, een instituut dat oorspronkelijk deel uitmaakte van de Technische Hogeschool, en gedeeltelijk gehuisvest was in hetzelfde pand als de Engelenbak, zocht al jaren naar mogelijkheden voor uitbreiding. Onder directeur Mostertman had men zich gevonden in de Status Quo van vreedzame coëxistentie met de bewoners van de Engelenbak, en een aantal huisgenoten werkte part-time voor het IHE. Maar zijn opvolger, prof. Seegeren, had niet veel op met deze situatie, en voerde een tamelijk agressief beleid in het verwerven van extra ruimte. De brand was voor hem een uitgelezen mogelijkheid de druk op de gemeente op te voeren, en het gehele pand te claimen voor het IHE.
4. De SDSH kon geen tijdelijke groepshuisvesting bieden aan de huisgenoten die nu zonder woonruimte zaten. Men kon hooguit, verspreid over alle studentenflats in de buitenwijken, individuele kamers ter beschikking stellen. Ook andere woningbouwverenigingen in Delft wensten niet aan groepshuisvesting mee te werken, omdat het beleid er juist op gericht was studenten te spreiden. Daardoor was het bij voorbeeld niet mogelijk meer dan één woning per galerij in een flat door studenten te laten bewonen.

We bevonden ons nu in een heel moeilijke situatie: Geen enkele gezaghebbende instantie wenste garanties te geven of zelfs toezeggingen te doen, zich in te spannen voor het herstel van de Engelenbak. Sterker nog Alle instanties die werkelijk iets in te brengen hadden, hadden er belang bij dat wij niet zouden blijven of terug komen.
De SDSH en de gemeente vroegen ons dan ook meteen om de namen van de bewoners. Daarmee zou het gemakkelijk geweest zijn, het pand met een beetje geduld leeg te krijgen. Maar omdat wij al snel nattigheid voelden, besloten we meteen dat we ons alleen als groep zouden opstellen men kreeg geen individuele namen, maar moest genoegen nemen met mij te onderhandelen over de gehele groep. Mijn vader was toevallig advocaat, en hij gaf me dan ook meteen enkele tips: Zorg dat je alles voor het groepsverband meteen goed vastlegt in correspondentie, ga snel verhuizen, en probeer af te studeren (want ik was al een paar jaar bezig, en hij wist precies dat dit proces vele jaren kon duren). Met de tweede en derde tip is het niet zo snel gelukt, maar diezelfde avond hebben we een eerste brief aan gemeente en SDSH opgesteld, waarin we onze grondhouding (het groepsverband, herstel van de Engelenbak in de oude situatie) duidelijk vastlegden.
Daarnaast zochten we zelfs contact met een kraakgroep in Amsterdam (die natuurlijk ervaring had met dit soort problemen) om in ieder geval van hun kennis te profiteren en geen domme fouten te maken. Bovendien namen we meteen een Delftse, later een Haagse advocaat in de arm, met wie we correspondentie en acties konden doornemen.
Als eerste accuut probleem stond de huisvesting op de agenda: We besloten tot een herverdeling van de woonruimte in het voorhuis. Mijn kamer werd TV-ruimte, de badkamer werd tevens keuken (afdrogen met een handdoek die naar eieren met gebakken spek ruikt) en de gang voor kamer V fungeerde als eetzaal. Voor de herverdeling van de kamers gingen we er van uit dat we vanwege de continu‹teit zoveel mogelijk jongerejaars in de Engelenbak zouden houden, en voor meer ouderejaars naar een alternatief zouden zoeken. De 50/50 verdeling tussen Corps en Virgiel was daarbij natuurlijk een heikel punt, want dit was een uitgelezen kans om het pand te confisceren.
Enkele tweepersoonskamers kregen een drie-persoonsstatus, en zo belandde ik op mijn oude kamer U met twee eerstejaars Corpsleden. Rare tijden. Shit-Creek Valley Voor de anderen wilden we, om de groep bij elkaar te houden, pers‚ collectieve huisvesting elders vinden.
Uiteindelijk vonden we een oplossing in een verre buitenwijk in Delft-Zuid (het adres is me ontschoten), in een flat die binnen een jaar gerenoveerd zou worden.

Dit had vier voordelen:
1. Vanwege het feit dat een renovatie op touw stond gold waren er al veel appartementen leeg en gold hier niet de regel dat maximaal één woning per galerij door studenten bewoond mocht worden. Daardoor konden we, met drie woningen naast elkaar, een heuse dependance van de Engelenbak stichten. Een poging om de groepsgedachte warm te houden.
2. Vanwege het feit dat aan deze bewoners geen normaal huurcontract aangeboden kon worden (omdat zij er binnen een jaar weer uit moesten) mocht de betreffende woningbouwvereniging maximaal fl. 250,- huur (excl GWE) per woning vragen. We hadden besloten dat alle huisgenoten voorlopig hun normale huur (ca fl 250,- p.mnd.) aan mij zouden blijven betalen per flat konden we vier mensen huisvesten. Daardoor hielden we geld over dat we in een spaarfonds stopten.
3. Vanwege het feit dat de flats toch gerenoveerd zouden worden, waren er weinig problemen te verwachten met schade aan de woningen en herstel van de oude toestand.
4. Voor de SDSH en de gemeente was duidelijk dat de zaak hiermee niet afgedaan was, maar dat dit slechts een tijdelijke situatie kon zijn.

De enclave in Delft-Zuid maakte naam als Shit-Creek-Valley, en het werd belangrijk de bewoners zo snel mogelijk weer terug op de Engelenbak te krijgen om te voorkomen dat iedereen die een aanbod kreeg van een ander huis, de Engelenbak-Zuid zou verlaten.
In ieder geval was het duidelijk dat we, als we van niemand medewerking zouden krijgen, veel zelf moesten afdwingen. We doken in allerhande archieven om te zoeken naar aanknopingspunten, Een korte historie van de Engelenbak Zo kwamen we er al snel achter dat het pand Oude Delft 89 op de monumenten lijst stond, en dat dientengevolge de eigenaar, in geval van calamiteiten zoals brand, direct diende te zorgen dat het pand geen verdere schade op zou lopen. Dat kwam er in dit geval op neer dat de gemeente gehouden was het pand zo snel mogelijk wind- en waterdicht te maken.
We wezen de gemeente hier fijntjes op, dus kwam er al snel een soort tentdak over het gebouw en werd een aanvang gemaakt met het herstel van de kap.
Het moeilijkste deel was het ontrafelen van de contractenstructuur die op het pand van toepassing was.
Zoals eerder vermeld, was het pand eigendom van de gemeente, en had zij het pand oorspronkelijk voor onbepaalde tijd in in bruikleen gegeven aan de Polytechnische School, met als voorwaarde dat het pand voor onderwijsdoeleinden gebruikt zou worden. De Polytchnische School was inmiddels een technische Hogeschool geworden, en hieraan waren verschillende andere instituten gekoppeld.

Voor een juist begrip gaan we even terug in de historie:
In 1945 was de huisvesting voor studenten erg problematisch. De Technische Hogeschool moest, na drie jaar stil gelegen te hebben, opnieuw opgestart worden. Oude Delft 89, waar sinds 1876 de afdeling Bouwkunde gehuisvest was, was in de oorlog gebruikt als onderkomen voor evacu‚’s, maar kwam nu weer gedeeltelijk beschikbaar, en op de eerste verdieping werden al snel 35 studenten gehuisvest, die zelf de voormalige collegezalen en studieruimtes voor bewoning geschikt maakten. Op 17 november 1945 werd het huis geopend door prof. Kroon, de voorzitter van de Huisvestings-commissie. Later zou hieruit de Stichting Delftsche Studenten Huisvesting (SDSH) worden opgericht. Dergelijke initiatieven werden later ook in andere universiteitssteden genomen, en daarmee stond Oude Delft 89 in feite aan de basis van de Stichtingen voor Studentenhuisvesting in Nederland.
Er ontstond een sterke band tussen de bewoners van Huize St.Jansbrug (zo genoemd naar de brug pal tegenover de ingang), en zij besloten tot de oprichting van een studentenvereniging. De snel groeiende vereniging moest al na enkele jaren omzien naar een eigen pand, en nam haar intrek op Oude Delft 52. Het verhaal gaat dat vervolgens een prijsvraag werd uitgeschreven voor een nieuwe naam voor de Oude Delft 89 en dat in 1953 de indiener van de naam De Engelenbak met de uitgeloofde fles sherry aan de haal ging. Wellicht kan een van de bezoekers aan de renie een duidelijker licht op deze gang van zaken laten schijnen, en een sluitende verklaring voor de uiteindelijke keuze geven.

In 1949 werd Indonesië onafhankelijk, en met het verbreken van de banden met deze voormalige kolonie kwamen niet allen veel hoogopgeleide mensen met kennis van de tropen naar Nederland, maar dreigde ook een heel kennisveld in Nederland, en met name aan de T.H. Delft, verloren te gaan. Naar aanleiding van de watersnoodramp in Zeeland (1953) werd in korte tijd het Deltaplan ontwikkeld, en daarmee werd nogmaals het bewijs geleverd dat Nederland over veel Civieltechnische kennis beschikte. De combinatie van beide bovengenoemde factoren bleek essentieel.Maar het zou nog tot 1956 duren alvorens de T.H., op verzoek van veel ontwikkelingslanden, in samenwerking met de Netherlands University Foundation For International Cooperation (NUFFIC) een internationale cursus waterbouw opzette, die met name op de situatie in de ontwikkelingslanden gericht was. Hoewel dit nog slechts een jaarlijks terugkerend evenement was, betekende het in feite de geboorte van de International Courses In Hydraulic Engineering (IHE).
In 1969 verhuisden de laatste secties van de afdeling bouwkunde naar de Berlageweg en in 1970 werd het IHE, dat inmiddels uitgegroeid was tot een instituut, gehuisvest op Oude Delft 89/91. Onder de bezielende leiding van prof. Mostertman vestigde het IHE internationaal haar naam. Veel bewoners van de Engelenbak vervulden een studenten-assisten-schap bij Eddy Coers (Technical Office) of Theo (Drukkerij).
Prof. Mostertman, the Grand Old Gentleman, bestuurde het IHE als zijn eigen koninkrijkje, het was een soort ouderwetse familie.
Onder zijn opvolger prof. Seegeren werd het instituut, in het kader van de oprukkende privatisering, losgekoppeld van de T.H. en verder geprofessionaliseerd. Seegeren wilde het IHE niet gewoon in stand houden, maar had grootse plannen voor uitbreiding. Het IHE reorganiseerde, en liet voor de oplossing van het ruimtegebrek al snel het oog op de Engelenbak vallen. Voor de huisgenoten die op het IHE werkten, een vreemde situatie.

Nu terug naar ons verhaal
Instituten, zoals de SDSH en het IHE, die oorspronkelijk rechtstreeks deel uitmaakten van de Technische Hogeschool, maar daarvan inmiddels onafhankelijk geworden waren, maakten gebruik van Oude Delft 89.
Maar door de brand en het verloren gaan van een groot deel van het pand, werd opeens erg belangrijk in hoeverre er ook formeel of juridisch aanspraken op het pand gemaakt konden worden. Moeilijk dus, zeker toen de gemeente er fijntjes op wees dat het gebouw kennelijk niet meer voor onderwijsdoeleinden gebruikt werd, en zij zogenaamd niet op de hoogte was van het feit dat er studenten gehuisvest waren. Bovendien was zij al langer in onderhandeling met het IHE, dat dreigde met vertrek uit Delft als de gemeente niet met belangrijke uitbreidingsmogelijkheden over de brug zou komen.
Natuurlijk wist de gemeente wel dat er studenten op de Oude Delft woonden. De burgemeester was zelfs uitgenodigd voor het lustrum in 1985. Maar wij konden het niet aantonen…. Totdat we ergens in archieven een brief vonden van de SDSH aan de gemeente, die verwees naar de overeenkomst om een zolder tot slaapzaal voor de studenten te verbouwen. Daarmee keerden onze kansen. Want in een brief verwezen we naar deze correspondentie, en daarmee zadelden we de gemeente en de SDSH niet alleen op met het probleem, het oorspronkelijk document te achterhalen, maar bovendien zouden zij daarmee, zeer tegen hun zin, ons gelijk aantonen. De SDSH was moreel eigenlijk verplicht ons te ondersteunen, maar wilde zich niet tegen de gemeente keren omdat zij op vele andere fronten van haar afhankelijk was. Bovendien zag de SDSH, met de toekomstige privatisering in zicht, ook wel wat in mogelijke samenwerking met het IHE, c.q. in het huisvesten van buitenlandse studenten.

Het heft in eigen hand
De aannemer schoot niet erg hard op met het opknappen van het achterhuis, maar uiteindelijk zat er toch een nieuwe kap op en omdat alle binnenmuren gesloopt waren, ontstond er een prachtige, gigantische ruimte. Maar gaandeweg werd duidelijk dat men het daarbij zou laten, en doken er nieuwe geruchten over ingebruikname door het IHE op. De tijd begon voor ons te dringen. In de week van kerst en nieuwjaar 1986 leverde de aannnemer het achterhuis leeg op, en wij grepen onze kans.
Voorzover ik me kan herinneren viel 31 december op een woensdag. Op die dag schreven we een brief aan de gemeente waarin we mededeelden dat we het achterhuis weer in gebruik namen. Omdat de donderdag (nieuwjaarsdag) vrij was, de vrijdag als eerste werkdag gevuld zou zijn met recepties en er in het weekend door ambtenaren ook niet gewerkt zou worden, hadden we vier dagen om het achterhuis enigzins bewoonbaar te maken. Volgens de jurisprudentie in die tijd was het onmogelijk krakers met een eenvoudige actie van politie uit te zetten als een pand minimaal 2 x 24 uur bewoond was; daarvoor was een gerechtelijke bevel nodig. We besloten het er op te wagen want we hadden met de correspondentie in de voorgaande maanden een aardig dossier opgebouwd.
Omdat alle voorzieningen uit het achterhuis gesloopt waren, hadden we meteen voor de eerste avond een electricien en een verwarmingsmonteur besteld. Dichtgelaste hoofdleidingen werden opnieuw geinstalleerd, radiatoren aangesloten, en met enkele aanpassingen in het ketelhuis konden we weer stoken. Met enkele kunstgrepen kregen we ook stroom en zo konden we bij enkele kale meubeltjes en oude schemerlampen de eerste borrel in het achterhuis vieren en het pand bewoond verklaren.
Enkele dagen later vond, bij kaarslicht, het nieuwjaarsdiner weer in de Eetzaal plaats. Januari was de maand van de waarheid. Hoewel de gemeente en anderen tegen de gang van zaken protesteerden, werd er geen verdere actie ondernomen.
Wij hadden inmiddels de eerste van de drie flats opgezegd, in het achterhuis zelf de eerste vier L-kamers gebouwd (we hadden telkens 2 kamers gemaakt waar er oorspronkelijk 3 waren), en we waren bezig nieuwe sanitaire voorzieningen en een volledig goedgekeurd electrisch systeem te installeren. Daarmee was ons spaargeld volledig op.
We hadden in onze brieven aan de gemeente en de SDSH aangeboden de huurbetaling voor het achterhuis te hervatten, maar omdat niemand ons als huurder wenste te erkennen, kon ook niemand de huur innen. Dus spaarden we steeds sneller naarmate we meer flats op konden zeggen, en in juli hadden we zelf het hele achterhuis opgeknapt. Geïsoleerd, voorzien van verwarming, geisers en sanitair en er lag splinternieuw marmoleum. Zo goed had het er onder beheer van de SDSH nog nooit uitgezien.
Shit-Creek-Valley was historie en de Engelenbak weer compleet. Omdat we nog steeds alleen huur betaalden voor het voorhuis, hielden we veel geld over in principe kon de aan mij af te dragen huur gehalveerd worden. Maar na uitvoerige discussie besloten we toch allemaal de oorspronkelijke huur te blijven betalen en zelfs de wettelijke huurverhogingen te verrekenen. Het overschot werd gestort in het zogenaamde herbouwfonds. Het Herbouwfonds De gedachte achter het herbouwfonds was de volgende: Hoewel de Engelenbak nu weer compleet was, was de toekomst onzeker Het stond als een paal boven water dat er een dag zou komen dat men alsnog zou proberen de Engelenbak te ontruimen

1. Voor dat geval was het zinvol een fonds te hebben waaruit bij voorbeeld juridische bijstand betaald zou kunnen worden.
2. Aangezien gemeente en SDSH weigerden zorg te dragen voor het onderhoud van het achterhuis, moesten wij daarvoor zelf de verantwoordelijkheid nemen. Indien deze situatie lang zou voortduren, moesten we dus ook over een aanzienlijke reservering voor groot onderhoud kunnen beschikken.
3. Indien het nog vele jaren zou duren voordat men een proces tot ontruiming zou beginnen, en men geen alternatieven voor de Engelenbak zou aanbieden, zou het fonds wellicht al voldoende omvang kunnen hebben om als basiskapitaal te fungeren bij het zelfstandig verwerven van Oude Delft 89 of een ander pand. Dit zou in ieder geval de onderhandelingspositie t.o.v. de gemeente, de SDSH en het IHE aanmerkelijk kunnen versterken. Soms droomden we van een ruil met het IHE inzake Oude Delft 75.
4. Omdat alle huisgenoten die op het moment van de brand in huis woonden er samen voor gezorgd hadden dat de Engelenbak nog bestond, en zij het huis grotendeels zelf herbouwd hadden, voelden zij er niet veel voor dit in de toekomst zo maar verloren te laten gaan. Vandaar dat we het betalen van een alleszins redelijke huur niet alleen als een cadeautje voor de toekomstige bewoners beschouwden, maar met die investering ook de betrokkenheid van alle bewoners en oud-bewoners wilden vastleggen. Er werd dan ook al snel gedacht aan een structuur in de richting van een stichting of vereniging. Dit heeft pas enkele jaren later zijn beslag gekregen.

In de tijd daarna hernam het het gewone leven zijn loop. Pogingen om de Engelenbak onder te brengen bij de woningstichtingen van het Corps (Oikia) of Virgiel mislukten al snel omdat het een gemengd pand was en zo bleven de uiteindelijke mogelijkheden beperkt. Het was vooral een kwestie van goed opletten, hard sparen en zo lang mogelijk uitzingen. Gelukkig is er, in samenwerking met de SDSH, toch nog een oplossing gekomen, waarbij de Engelenbak in afgeslankte vorm blijft bestaan.

Vorig jaar kreeg ik opeens mijn aandeel in het herbouwfonds terug. Leuk, maar toch wel jammer denk ik. Hoewel ik best begrijp dat het uitkeren van het fonds voor de nog studerenden interessant was, en hoewel ik snap dat sommigen daarvan nog een studiejaartje extra konden betalen, had ik liever gezien dat het bedrag (dat ik als geschonken a fond perdu beschouwde), beter gebruikt had kunnen worden. Wat was er nu mooier geweest dan van dit fonds, dat uiteindelijk waarschijnlijk tegen de twee ton beliep, een van die aardige appartementen op de Oude Delft te kopen. Dan hadden de Oud Huisgenoten jullie toch nog het uitzicht op de gracht kunnen aanbieden. Een aardig plekje voor de nestor of als borrelruimte, en de beste plek om tijdens een reunie herinneringen uit de oude doos op te halen.

Die kans is nu verkeken, maar ik wens jullie en de toekomstige bewoners in de vernieuwde Engelenbak alle plezier voor de komende 50 jaar.

Maastricht, 10 februari 1995
Joop Slangen

 

Oprichting van woonvereniging de Engelenbak

In de nacht van 14 juli 1986 wordt de Engelenbak voor de helft door brand verwoest. Dit wordt gememoreerd door het herhalen van de openingszin van Joop Slangen bij de eerste huisvergadering na de brand: Er is brand geweest!

Door de brand ontstaat er directe woningnood voor vijftien huisgenoten, deze worden ondergebracht in 3 flatjes aan de Schubertlaan, Shit Creek Valley, in Delft Zuid. De andere 14 bewoners worden ondergebracht in twaalf wooneenheden op de voorgang. Kamer F fungeert als eetzaal, het platje is de Cosy Corner en er wordt gekookt in de badkamer.

Uit de gesprekken die naar aanleiding van de brand met de SDSH en de gemeente worden gevoerd wordt al snel duidelijk dat de werk-zaamheden zich zullen beperken tot het wind- en waterdicht maken van het pand. De verloren gegane woonruimte zal niet worden hersteld. Ondanks verwoede en aanhoudende pogingen van de beheerder en andere huisgenoten om de discussie over de toekomst van Studentenhuis De Engelenbak onder de aandacht te brengen van gemeente en SDSH, blijven deze bij hun standpunt dat renovatie niet aan de orde is. Het huis beseft dat zij de ontwikkelingen voor moet zijn en er wordt informatie ingewonnen hoe je je eigen huis weer in bezit kan krijgen. Het resultaat is dat op vrijdag 12 december 1986 met klamme handjes, maar met de overtuiging dat wij strijden voor een juiste zaak, de achtergang door de eerste terugkerende Shit Creekers in gebruik wordt genomen. De SDSH en gemeente worden van deze stap op de hoogte gesteld.
Tevens wordt aangeboden om voor de achtergang weer huur te gaan betalen. De reacties zijn afwijzend. Geen ME, maar slechts een kort briefje valt ons ten deel waarin wordt uitgelegd dat de gemeente geen actie zal ondernemen om herbouw van de Engelenbak te bespoedigen. Een van de redenen die de gemeente aanvoert is dat het pand op korte termijn een andere bestemming krijgt.

Vanaf de brand wordt de huur centraal, via de beheerder, afgedragen aan de SDSH. Dit is de huur van twaalf wooneenheden in het voorhuis. Het overschot aan huur wordt gebruikt om het huis op te knappen. In totaal is zo’n 55000 gulden in het huis geïnvesteerd. Anderhalf jaar na de brand zijn de herstelwerkzaamheden zo goed als afgerond. Als kroonstuk wordt het parket in het flatje in de oude glorie hersteld. Vanaf dit moment groeit op de balans de reservering herbouw gestaag. Door de steeds veranderende bezetting van het huis en de omvang van deze post is het uit juridisch en financieel oogpunt noodzakelijk om de herkomst en eventuele besteding van dit bedrag vast te leggen. Verder is het verstandig dat de huisgenoten zich verenigen in één rechtspersoon die hun belangen vertegenwoordigt. Het idee voor de woonvereniging is geboren.

Met behulp van de huisadvocaat Vos en notaris Meissner worden de statuten voor deze woonvereniging opgesteld en de vereniging opgericht. Vanaf dit moment wordt de huur aan de SDSH overgemaakt door woonvereniging de Engelenbak. Op deze wijze is de woonvereniging onderhandelingspartner geworden bij de SDSH.

Er ontstaat nu een periode van relatieve rust voor het huis. Het hele achterhuis is in eigen beheer en wordt aangepast aan de eisen van de tijd. Interessant detail is dat het achterhuis gaandeweg in een betere staat komt te verkeren dan het voorhuis dat onder beheer van de SDSH valt.

Ondertussen worden door de eigenaar van het pand, de gemeente, en de beheerder van de voorkant, de SDSH, plannetjes gemaakt voor de toekomst. Dit proces komt in een stroomversnelling als de benedenverdieping leeg komt te staan bij gereedkomen van de nieuwbouw van het IHE in onze tuin. Voor de benedenverdieping wordt door de Engelenbak een passende functie bedacht en een bejaardenhuis voor de oudere huisgenoot wordt gerealiseerd.

Uiteindelijk besluit de gemeente het pand te verkopen en nodigt enkele projectontwikkelaars uit een plan op te stellen voor het pand. De SDSH is ook van de partij en krijgt het pand. De woonvereniging wordt door de SDSH in de plannen voor de renovatie betrokken in een daarvoor opgerichte overleggroep, de SDSH-Engelenbak-werkgroep kortweg SEW. In de onderhandelingen met de SDSH blijkt de positie van het huis zodanig sterk dat, binnen de financiële mogelijkheden, een zwaar stempel kan worden gedrukt op de inrichting van de nieuwe Engelenbak. Om gesprekspartner te blijven moeten er compromissen worden gesloten waarbij het voorhuis voor de Engelenbak sneuvelt.

Als resultaat komt er een geheel nieuwe Engelenbak die sterk afwijkt van de oude, maar de oorspronkelijke opzet van het huis met zijn karakteristiek kenmerken, blijft behouden: een grote eetzaal, een flatje met zelfstandige voorzieningen, tweepersoons kamers en een slaapzaal.

Het is gissen wat er van de Engelenbak vandaag zou zijn overgebleven als wij ons lot in de handen van de SDSH en de gemeente hadden gelegd. Het feit dat de Engelenbak na de verbouwing van de Oude Delft 89 nog bestaat is toe te schrijven aan de vastberadenheid van haar bewoners. Deze vastberadenheid is ontstaan direct na de brand en met succes overgenomen door alle volgende generaties huisgenoten. Dit is het belangrijkste bestaansrecht van de Engelenbak als een grote en gemengde woongemeenschap.

Zoals gezegd: er is brand geweescht!

Caspar van IJzerloo en Tijs Clous

 

Het Gebouw

1843-1864
In 1842 werd te Delft opgericht de ‘Koninklijke Acedemie ter opleiding van burgelijke ingenieurs, zoo voor ‘s lands dienst als voor de nijverheid en van kweekellingen voor den handel’. De instelling was eveneens dienstbaar gemaakt voor het geven van een voorbereidend onderwijs aan degene die zich bestemde voor de burgerlijke dienst in Nederlands- Indie.
Bij de opening van de Koninklijke Acedemie bestond het scholencomplex uit de panden OD 89,91,93,95. Het complex werd enigszins verbouwd, in 1845 gevolgt door het vervangen van de voorgevels van verschillende huizen door een nieuwe.

1864-1905
Bij de wet van 2 mei 1863 werd de Polytechnische School opgericht en deze werd op 1 juli 1864 geopend. Zij werd gevestigd in dezelfde gebouwen als de Koninklijke Acedemie, evenwel uitgebreidt met een gebouw. Bovendien had de gemeente nog 2 percelen ten zuiden van het complex aangekocht. Om in het uiterlijk van de gevel aan de OD geen tweedeling te krijgen, die de uitbreiding aan het zuiden met zich mee zou brengen, werd de gehele gevel van een nieuwe pleisterlaag voorzien. Als architect trad hierbij hoogleraar Morre op. Daarmee verkreeg de gevel zijn huidige verschijningsvorm. Dit werd door tijdgenoten als een grote verbetering beschouwd.

1905-1921
Reeds lang heerste er in vele kringen de overtuiging dat de Polytechnische School gereorganiseerd diende te worden. De overgang van Polytechnische School naar Technische Hogeschool werd vastgesteld op 6 juli 1905. Dit bracht een noodzakelijke uitbreiding met zich mee, omdat de OD aan het vervallen was. Het plan van scheikunde aan de OD de laboratoria te ontwikkelen ging niet door en OD 89 bleef gedeeltelijk zonder bestemming toen andere gebouwen werden aangekocht. De verhuizing van ‘de decoratieve kunst (onderdeel van bouwkunde)’ bracht nodige ruimtewinst in het oude complex.

1921-1940
Een groep 1e en 2e jaars studenten richtten rond december 1921 een request aan curatoren over de huisvesting op zolder boven zaal 35, de tekenzaal in het gebouw OD 89. De nieuwbouw van een nieuw weg- en waterbouw naderde, zodat daarvoor weer ruimte in het oude complex aan de OD vrij zou komen. Dit had invloed op de minister’s mening dat de nieuwbouw van het gebouw bouwkunde, toen nog gedeeltelijk gevestigd aan OD 89, niet zozeer nodig was, ondanks de aanvraag van de studenten die klaagden over de slechte staat waaarin de tekenzalen verkeerden. In april 1922 kwam het voorstel tot ‘verbouw van de lokaliteiten om ze voor tijdelijk verblijf eniger mate geschikt te maken. Zaal 35, nu de eetzaal, werd veranderd. Het uiteindelijke resultaat was dat de afdeling bouwkunde bleef zitten waar ze zat, uitgebreid met ruimtes op de 1e verdieping. Aan de straatzijde kwam het kabinet van prof. Van der Steen en de 3e jaars tekenzaal daarnaast lag de tentoon-stellingszaal, waarachter aan de binnenplaats een collegezaal lag.
Naast de tentoonstellingszaal lag het kabinet van de prof. Granpré Molière en daarbij gedeeltelijk boven het portaal het assistenkabinet. Daarachter lag de tekenzaal voor 1e en 2e jaars. De nieuwbouw viel goed in de smaak bij de studenten. Toch werd uiteindelijk, na vele onderhandelingen, besloten de vestiging van bouwkunde die werd geopend op 21 september 1932, te verplaatsen naar OD 39a. De gebouwen OD 89 en 91 die door de afdeling waren verlaten, stonden in 1935 nog leeg. Prof. Wenckebach stelde voor OD 89 voor andere doeleinden bruikbaar te stellen……

P. Bedaux

 

Beheerder

De beheerder van studentenhuis De Engelenbak is de baas in huis, maar ook de vader en oppas (beheerdersparticulier 1992). Dit uit zich onder andere in: het opvangen van een huisgenoot midden in de nacht nadat hij door zijn vriendin aan de dijk is gezet, streng boetes te heffen bij wanbetaling van de huisrekening en bij tijd en wijlen iedereen achter de vodden zitten dat de troep opgeruimd wordt.

De ontstaansgeschiedenis
Ten tijden van de Polytechnische Hoge School werd het pand beheerd door een medewerker van dit instituut. Deze beheerder woonde met zijn vrouw in het flatje, een onafhankelijke wooneenheid op de OD 89 en had grotendeels een conciërge functie. Vanaf 1945 wordt het pand bewoond door studenten, maar is de functie van beheerder gebleven.

De beheerder is een oudere huisgenoot (die in sommige gevallen samen met zijn vrouw) het flatje bewoond. Recentelijk heeft de beheerder geen vrouw en wordt het flatje gebruikt voor het wekelijkse overleg, de beheerderskoffie.

Taken van de beheerder
De taak van de beheerder is tweeledig en is te verdelen in een financieel gedeelte en een sociaal gedeelte. Op het gebied van de financiën heeft de beheerder de verantwoordelijkheid de maandelijkse huisrekening en de jaarafrekening te maken.

De sociale aspecten bestaan onder andere uit de volgende punten:
· Het houden van de beheerderskoffie. Deze wekelijkse vergadering op zondagavond wordt altijd weer bijzonder door een overheerlijke culinaire creatie bij een lekker bakkie koffie. Na de beheerderskoffie wordt het huis grondig schoongemaakt, als verlichting voor de werkster Nancy.
· Het optreden als spreekbuis voor aangelegenheden zowel binnenshuis als buitenshuis. De buitenhuizen contacten zijn voornamelijk terug te voeren op de buurman (die op ons klaagt) en de huisvestingsstichting (waar wij op klagen). De DuWo, zoals de stichting nu heet, heeft een pand opgeleverd met nogal wat kinderziekten. Door de ambtelijke manier van werken, zijn er veel brieven en telefoontjes voor nodig om de DuWo te bewegen naar het verhelpen van de ongemakken.
· Het controleren van de maatschappijen. In huis zijn een groot aantal maatschappijen (mij’s) actief. Zie bijvoorbeeld hun verslag in deze almanak. Het gemeenschappelijke van alle mij’s is dat ze het comfort met hun diensten in huis verhogen, het werk van de beheerder verlichten en allemaal regelmatig gecontroleerd moeten worden.
· Het organiseren van instemmingen. Aan het begin van het studentenjaar stemmen we meestal één Virgiel en één Corps koppel in. Tijdens het jaar wordt ook wel eens een eenling van een van de verenigingen ingestemd, als de verhouding Corpsleden/Virgilianen maar 14:14 blijft. Het is de taak van de beheerder ruim van te voren te voorzien wanneer er weer een instemming georganiseerd moet worden en tijdens de avond de keuze tot de nieuwe huisgeno(o)t(en) in goede banen te leiden.

Het wonen op de nieuwe Engelenbak
Het wonen op de verbouwde Engelenbak is duur geworden, doordat de huur met zo’n 75% is gestegen. Om het bestedingsgedrag op de sociëteiten niet te beïnvloeden moeten de overige kosten in de hand worden gehouden. Dit is een lastig opgave zonder de huidige voorzieningen terug te schroeven: we blijven wasmachines, droger, telefooncentrale, werkster, video, televisie en de gehele dag door koffie wel erg belangrijk vinden. Een gevolg is dat de huisgenoten tegenwoordig meer moeten schoonmaken. Het maken van de huisrekening is tegenwoordig echter gemakkelijker. Dit komt doordat de huur nu inclusief gas, water en elektra is, zodat dit deel van de administratie door de stichting gedaan wordt.

Nu er dure appartementen aan de grachtenzijde worden bewoond, hebben wij er extra verantwoordelijkheden bij gekregen. Om een reductie in de huur te bedingen zijn we overeengekomen dat wij ook hun vuilnis buitenzetten en de gemeenschappelijke ingang schoonhouden. Het blijkt dat HJ’s (huisjongsten) hierbij bijzonder handig zijn!

Wat me altijd bijzonder heeft aangesproken in de Engelenbak is dat alles heel harmonieus verloopt. Er wonen 28 studenten in één huis die veel met elkaar ondernemen en een perfecte woonomgeving hebben georganiseerd. Ik vind het mooi om hiervan een jaar de beheerder te zijn.

Met een welgemeend Angeljoke,

Daan Veeningen, Beheerder 1995-1996

 

Roerige tijden

In februari 1993 werden wij door de Algemene bewonersorganisatie van SDSH-huurders ingelicht dat het pand aan de Oude Delft 89 door de gemeente te koop was aangeboden. De SDSH huurde tot die tijd het pand van de gemeente en was dan ook een serieuze gegadigde voor de overname. Bekend werd echter dat behalve de SDSH ook een tweetal andere projectontwikkelaars geinteresseerd waren. Het was in het belang van het huis en haar bewoners dat de SDSH de uiteindlijke koper zou zijn en er is dan ookeen lobby opgestart waarbij er bij de gemeente op aangedrongen is om het pand aan de SDSH te verkopen. Bij deze lobby waren o.a. onze advocaat, diverse politieke partijen en commissie wonen betrokken. Het feit dat de woonverening het pand onderhuurde heeft hier mogelijk de andere projectontwikkelaars doen afschrikken.

De aankoop
Begin mei 1993 wordt het pand door de SDSH voor Hfl 350.000,- gekocht. De SDSH zet de plannen die zij met het pand heeft uiteen en kondigt aan dat een afvaardiging van het huis zitting krijgt in het planteam dat de verbouwing coördineert. De rechtspositie van de woonverening is vrij sterk en individuele huurcontracten worden daarom dus voorlopig nog niet afgesloten. De SDSH geeft aan dat de verbouwing en renovatie van het pand in 1995 gaat plaatsvinden en dat de bewoners ergens anders gehuisvest zullen moeten worden. In huis wordt de SEW (SDSH-Engelenbak Werkgroep) opgericht die drie groepen aanstuurd: vervangende woonruimte, de beheersstructuur en de herbouw. Ideeen en plannen die uit deze groepen voortkomen worden via de planteam-vergaderingen aan de SDSH en de architect doorgespeeld en besproken. Terwijl dames van B.V. Architecten en Consultants regelmatig in het huis te vinden zijn om de juiste dimensies van het pand te bepalen, wordt de eerste planteam-vergadering gehouden.

De herbouw
De opzet van de SDSH was om aan de grachtenkant luxe appartementen te bouwen voor gastdocenten en juppen terwijl de achterkant van het huis voor studentenhuisvesting gebruikt kon worden. Het was al snel duidelijk dat zij het studentendeel in kleine, onafhankelijke wooneenheden op wilden delen. Deze eenheden zijn flexibeler te verhuren, maar passen niet in de woongedachte van de Engelenbak, wat dan ook van begin af aan duidelijk werd gemaakt. De architecten kwamen al snel met vijf verschillende herbouwvarianten door, die in onze ogen niet voldeden. De SEW stelde dan ook samen met de rest van het huis een pakket van eisen op waaran zowel het gebouw als de toekomstige woonstructuur moest voldoen. Deze eisen waren vooral gebaseert op het in stand houden van de toenmalige (en huidige) woon-situatie als groep van 28 man met gemeenschappelijke keuken en eetzaal. In de daaropvolgende herbouwvarianten lag het accent van de discussies op het z.g.n. vertikaal scheiden van het pand. De SEW hield vast aan de eis om ook aan de grachtkant te kunnen wonen.
We leverden dan ook een zelfontwikkelde variant in die ons in staat stelde direct contact te houden met de mooiste gracht van Nederland. De SDSH was echter niet van plan om al onze eisen in te willigen en de SEW hield vast aan de wensen van haar achterban. Er ontwikkelde zich een conflictsituatie die ongeveer 2 maanden duurde, waarin niet vergaderd werd. In december ’93 werd het overleg hervat met het compromis dat de Engelenbak alleen de achterkant van het huis zal bewonen en dat de SDSH alle andere punten van het pakket van eisen inwilligt. De onderhandelingen werden steeds gedetailleerder, waarbij door de herbouwcommisie van de SEW veel met de architecten werd meegedacht en getekend.
Uiteindelijk waren de bouwplannen naar ieders tevredenheid klaar Een jaar uit huis.
Omdat het lastig is voor de SDSH om ons te huisvesten tijdens de verbouwing helpt de commissie ‘vervangende woonruimte’ een handje. Gezocht wordt naar een pand waar 28 man kunnen wonen en het liefst een pand dat op loopafstand van beide societeiten is. Opties als Mijnbouwplein 2, het propadeuse gebouw van scheikunde en de ‘Zonnewijzer’ school werden onderzocht. Dit bleek helaas niet mogelijk te zijn en uiteindelijk werd alle aandacht gericht op de Ricardis-Hostel. De Ricardis-Hostel ligt in de Ricardishof vlak bij de huidige vestiging van de SDSH aan de Marlotlaan. Uit bijgevoegde huisregels van dit hotel dat voornamelijk op argeloze buitenlandse studenten of enorme knorren gericht was, blijkt dat het een en ander besproken moet worden voordat wij handtekeningen zouden gaan zetten. Ook gaf de combinatie van piepkleine kamertjes en een hoge huur een probleem. De prijs werd aangepast en een jaar brak aan , waarin we allemaal tot het besef zijn gekomen hoe fantastisch we eigenlijk wonen aan de Oude Delft, met ruimte waar je kan doen wat je wil en op een afstand van de societeit waarbij je tenminste nog dronken bent als je thuis aankomt.

Ondanks dat we blij mogen zijn dat we met z’n 28’en bij elkaar konden blijven zijn de herinneringen aan het jaar op de Rukkershof met die lange, deprimerende ziekenhuisgang bij bij de meeste huisgenoten verdrongen, behalve de gedachte aan de ringvaart die de huisband een belangrijke push gegeven heeft. Uiteindelijk hebben we van begin december 1994 tot begin november 1995 op de Rukkershof gewoond. Zelden wordt nog over deze periode gepraat. De beheersstructuur Bekeken is wat de beste constructie zou zijn om in de nieuwe Engelenbak het pand van de SDSH te huren. Allerlei opties met en zonder de woonvereniging , individuele contracten of juist een groepscontract zijn doorgenomen en waar nodig met onze advocaat besproken. Omdat de doelstellingen van de woonvereniging verwezenlijkt waren is uiteindelijk gekozen voor individuele huurcontracten om de financiele lasten van het huis te verlichten en aan de SDSH over te laten.

De nieuwe Engelenbak
Tijdens de terugverhuizing is enorm veel geklust om van een strak nieuwbouwpand weer een gezellig en functioneel studentenhuis te maken. Iedereen heeft het pand met groot enthousiasme betrokken en houdt dit tot nu toe vast, waardoor het hier nu goed wonen is. Zaken als een permanente bar en een grote,robuste eetzaal tafel zijn gemaakt of aangeschaft om de gezelligheid te bevorderen en een goed gesprek of een spelletje aan te moedigen.
De Engelenbak heeft een paar rumourige jaren achter de rug, die door de inzet van de huisgenoten en het meedenken van menig betrokken oudhuisgenoot tot een zeer goed einde zijn gebracht.

S. Melles